De Stem kranten
 
 Boekentafel
 Boodschappenmand
 • Autoaufkleber D
 • Autoaufkleber Englisch
 • Autostickers NL
 • Boeken NL
 • Briefaufkleber D
 • Briefstickers NL
 • Brochures NL
 • Broschüren D
 • Glasnik
 • Intern. Broschüren
 • Intern. Traktate
 • Taschenbücher D
 • Traktate D
 • Traktaten NL

 In de boekentafel zoeken:
 
    

Ontmoeting met de levende God!

»In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik de Here zitten op een hoge en verheven troon en zijn zomen vulden de tempel. Serafs stonden boven Hem; ieder had zes vleugels: met twee bedekte hij zijn aangezicht, met twee bedekte hij zijn voeten en met twee vloog hij. En de een riep de ander toe: Heilig, heilig, heilig is de HERE der heerscharen, de ganse aarde is van zijn heerlijkheid vol. En de dorpelposten beefden van het luide roepen en het huis werd vervuld met rook. Toen zeide ik: Wee mij, ik ga ten onder, want ik ben een man, onrein van lippen, en woon te midden van een volk, dat onrein van lippen is; en mijn ogen hebben de Koning, de HERE der heerscharen, gezien. Maar een der serafs vloog naar mij toe met een gloeiende kool, die hij met een tang van het altaar genomen had; hij raakte mijn mond daarmede aan en zeide: Zie, deze heeft uw lippen aangeraakt; nu is uw ongerechtigheid geweken en uw zonde verzoend. Daarop hoorde ik de stem des Heren, die zeide: Wie zal Ik zenden en wie zal voor Ons gaan? En ik zeide: Hier ben ik, zend mij.« (Jesaja 6:1-8)

 

Het verslag van Jesaja maakt toch best veel indruk. Het lukt hem om de situatie heel aanschouwelijk te beschrijven. Je denkt haast dat je er zelf bij bent geweest.

Maar je moet wel bedenken dat deze roeping een heel bijzondere, eenmalige gebeurtenis was. We kunnen er niet uit afleiden dat God altijd precies zo moet roepen. God handelt zeer individueel – desondanks kunnen we ook nu iets voor onszelf uit zo’n eenmalige gebeurtenis leren.

God ontmoet Jesaja op een indrukwekkende manier – Hij komt heel dichtbij hem.

De tekst schildert zeer beeldend deze nabijheid van God.

 

Wanneer is God dichtbij ons?

In de regel hebben we er veel moeite mee als we de indruk hebben dat God verweg is.

Hij antwoordt niet op onze gebeden –Hij haalt ons niet uit een moeilijke situatie – we zien geen uitweg.

Dat is niet altijd een teken dat onze relatie met God verstoord is – het kan ook een beproeving van God zijn die ons geloof, ons vertrouwen wil uitdagen. Denk maar eens aan het voorbeeld van de zogenaamde »ongelovige Thomas« (Johannes 20:24-29). In dit verband staat er in Gods Woord: »Zalig zij die niet zien en toch geloven.«

Maar dan zijn er ook momenten waarin we de indruk hebben dat God dichtbij ons is, zelfs heel dichtbij. Daarbij komt me uit onze tekst de vraag tegemoet:

Willen we eigenlijk wel dat God dichtbij ons komt, echt dichtbij, misschien te dichtbij, zoals bij Jesaja?

We denken vaak dat we over God alles al weten. God is voor ons »beheersbaar« geworden, we kennen Hem, we weten wat Hij denkt, ook over onszelf. We kennen Zijn plannen met ons leven – we zijn er toch echt zeker van dat we precies leven zoals God het van ons verwacht. We hebben zo’n bijzondere nabijheid van God eigenlijk niet meer nodig. We zijn toch heel tevreden met de manier waarop we leven.

Menigeen kent misschien nog die oude zakhorloges. Die draag je aan een ketting, het liefst een gouden, en het best in je vestzakje. Het is voor ons iets waardevols, iets kostbaars, vooral als het om een oud erfstuk gaat.

God is voor ons misschien ook zoiets kostbaars, waardevols.

En we halen Hem net als zo’n zakhorloge uit ons vestzakje – we bekijken Hem – en we kunnen ons dan zelfs oriënteren – maar dan stoppen we Hem weer weg tot we Hem weer nodig hebben.

Maar bij Jesaja ervaren we toch iets heel anders. Jesaja schrikt enorm, want deze nabijheid van God maakt hem ervan bewust hoe slecht hij in de tegenwoordigheid van God past, hoe weinig hij als een zondig mens de heiligheid van God kan verdragen.

En hij kan alleen nog maar roepen: »Wee mij, ik ga ten onder!« Geen aangenaam gevoel wat Jesaja daar gehad moet hebben!

In tegenstelling tot een zakhorloge dat je in de hand kunt houden, was God nu opeens de absolute Heerser, die over Jesaja kon beschikken en Jesaja wist dat hij deze heilige God niets had aan te bieden. In tegendeel, alles wat hij tot dan toe in zijn leven had gedaan, leek opeens onrein, zelfs zo erg dat hij doodsangsten uitstond.

Daarbij was Jesaja vast geen bijzonder slecht mens geweest. Desondanks ervaart hij in deze rechtstreekse nabijheid van God zijn hele onreinheid, waarmee hij in de nabijheid van de heiligheid van God niet kan bestaan.

In het Nieuwe Testament vinden we een dergelijke reactie bij Petrus. Jezus had vanuit zijn boot de volksmenigte onderwezen. Daarna had Hij tegen hem gezegd dat hij nog een keer het meer op moest varen en de netten uit moest werpen. Helemaal tegen de overtuiging van de ervaren visser deed Petrus dat ook inderdaad – en ze vingen een grote hoeveelheid vissen.

In Lukas 5:8,9 lezen we: »Toen Simon Petrus dit zag, viel hij neder aan de knieën van Jezus en zeide: Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens, Here. Want verbazing had hem en allen, die bij hem waren, aangegrepen over de vangst der vissen, welke zij gevangen hadden.«

De aanbidding van God heeft steeds iets met dit neervallen voor de heilige God te maken – met onderschikking. Ik onderwerp me aan Hem.

Als ten tijde van Jezus in het Romeinse Rijk een veldheer van een overwonnen strijd terugkwam en in een triomftocht Rome binnenmarcheerde, dan bracht hij vaak de overwonnen heerser van het vijandelijke land waartegen hij oorlog had gevoerd mee. En dan verlangde hij als hoogtepunt van zijn triomftocht dat deze overwonnen heerser hem aanbad.

Dan moest deze overwonnen vijand voor de zegevierende Romein in het stof op de grond gaan liggen. Dan zette de Romein zijn voet op de nek van deze man. Hij bleef dan alleen maar in leven als hij de overwinnaar overtuigend beloofde in de toekomst alleen nog maar te doen wat de overwinnaar hem zou bevelen. Hij werd het eigendom van de overwinnaar.

Aanbidding betekent: ik val voor mijn Heer neer. Ik weet dat Hij de Heer over mijn leven is, over leven en dood.  Ik beloof Hem dat ik Hem gehoorzaam zal zijn en niet meer mijn eigen belangen zal behartigen.

Als God zo dichtbij ons komt, zoals Jesaja dat heeft beleefd, dan erkennen we niet alleen de grootheid, de heiligheid, de majesteit van God, maar dan zien we vooral ook onszelf – en dat is vaak schrikwekkend.

In het Nieuwe Testament vinden we ook een interessant voorbeeld in Johannes 4. In Samaria ontmoet Jezus een vrouw bij een put. Ze komen in gesprek. Ze spreken er ook over hoe waarachtige aanbidding er uit moet zien. Maar dan gaan de ogen van deze vrouw ook plotseling over zichzelf open en erkent ze dat ze voor Jezus een open boek is. Haar hele zondige leven staat haar voor ogen.

Ik heb eerder al de zogenaamde ongelovige Thomas genoemd, die na de opstanding van Jezus het verslag van de andere discipelen niet wilde geloven, dat Jezus daadwerkelijk opgestaan was en dat ze Hem hadden gezien.

Nadat hij Jezus later zelf zag, kon hij alleen maar neervallen en uitroepen: »Mijn Heer en mijn God.« Hij moet zich op dat moment bewust zijn geworden van zijn hele wantrouwen, zijn ongeloof, zijn gebrekkige vertrouwen in zijn Heer. Maar hij werd ook overweldigd door de goedheid en barmhartigheid van Jezus die zo persoonlijk op hem was ingegaan – en dat bracht hem tot aanbidding.

Bij Jesaja vinden we deze genade van God ook. God had alles al voorbereid. Er was vuur waarop gloeiende kolen lagen. En nu kwam een engel, nam met een tang zo’n gloeiende kool en raakte de lippen van Jesaja aan als teken dat God hem van al zijn zonden reinigde. Wat een gevoel van dankbaarheid moet Jesaja vervuld hebben toen hij er zich van bewust werd dat hij in de tegenwoordigheid van de heilige God niet hoefde te sterven, maar dat God hem genadig was. Hij moet het gevoel gehad hebben opnieuw geboren te zijn. God gaf hem zijn leven, een nieuw leven.

En nu wist Jesaja: nu ben ik helemaal van deze grote God, nu kan Hij met mij doen wat Hij wil. Hij heeft me een nieuw leven gegeven om Hem te dienen.

Net zoals destijds in het Romeinse Rijk de overwonnen man aan zijn overwinnaar toebehoorde en hem beloofde ogenblikkelijk alleen nog maar de belangen van zijn heer te gaan behartigen, zo moet Jesaja zich hebben voorgenomen om ogenblikkelijk al zijn eigen belangen op de achtergrond te houden en alleen nog maar de belangen van zijn God te behartigen.

In het zesde hoofdstuk van het boek Jesaja gebruikt de schrijver voor het eerst de ikvorm.

God is heel dichtbij hem gekomen – nu gaat het heel persoonlijk om Hem.

In preken wordt heel vaak de wijvorm gebruikt – maar het gaat om ieder heel persoonlijk. Wil je dat eigenlijk wel, zo heel persoonlijk aangesproken worden en dan inzicht in jezelf krijgen?

Bij de roeping van Jesaja had God alles voor de vergeving voorbereid. Het was ook uiterlijk gezien een heel bijzondere dag, de Grote Verzoendag, een heel speciale gebeurtenis voor Israël. Een dag waarop God aan het hele volk verzoening zou schenken.

Jesaja ervaart dat nu echter niet meer in de wijvorm. Hij wordt heel persoonlijk door de nabijheid van God gegrepen en beleeft de vergeving heel duidelijk merkbaar.

En precies zo wil God bij ieder van ons heel persoonlijk dichtbij komen.

Velen van ons hebben deze nabijheid van God ooit bij hun bekering ervaren.

Je hebt jezelf gezien, er kwam zondebesef bij je boven en velen zullen het ook zo ervaren hebben: in de nabijheid van God kan ik alleen maar zeggen: wee mij, ik ga ten onder.

Maar daarop mocht je vergeving ervaren, omdat je je bewust werd dat God zelf de straf voor je zonden op zich heeft genomen en je gereinigd kon worden omdat Jezus je Zijn gerechtigheid, Zijn reinheid geeft.

Bij Jesaja wordt deze gebeurtenis heel beeldend geschilderd met de gloeiende kool die Jesaja’s lippen aanraakte en hem reinigde. Ik heb me afgevraagd of dat niet heel pijnlijk geweest zal zijn; een gloeiende kool op mijn lippen? In ieder geval werden de lippen van Jesaja niet stuk gemaakt. Het vuur van God is namelijk iets heel bijzonders. Het verteert niet, het dooft niet uit. Het reinigt. Een voorbeeld daarvan vinden we overigens ook bij de roeping van Mozes. God spreekt tot hem vanuit een brandende braamstruik. Ook daar wordt de braamstruik niet door het vuur verteerd.

Jesaja kon na deze gebeurtenis nog heel goed spreken. Dat wilde God immers; Hij wilde hem niet vernietigen, maar hem voor een heel bijzondere opdracht toerusten.

 

Wie zal Ik zenden?

En toen stelde God deze cruciale vraag: wie zal Ik zenden?

Voor Jesaja was het nu heel duidelijk: ik ben van deze heilige God, ik doe alles wat Hij zegt. En dus antwoordde hij: zend mij!

Jesaja was er zich vast wel van bewust dat hij daarmee geen eenvoudige opdracht aanvaardde. En wat hij het volk daarna moest verkondigen was ook niet echt plezierig.

Maar hij zag ervan af om met God over voorwaarden voor zijn taak te onderhandelen. De omstandigheden waaronder hij moest werken zou God bepalen. Hij had zijn zelfbeschikkingsrecht opgegeven. God had het nu voor het zeggen.

 

Wat betekent roeping voor ons vandaag?

Als je dit bericht over Jesaja bekijkt, kun je al snel aan de roeping voor een bijzondere geestelijke taak denken. Maar als we de zeer uiteenlopende roepingen in het Nieuwe Testament bekijken, dan is dat verschil er niet zo. Ieder die geroepen is om christen te zijn, die werkelijk christen is geworden, belijdt niet alleen dat Jezus zijn Verlosser is, maar ook steeds dat Jezus Christus de Heer is! Ieder die bewust christen is, is ook geroepen om andere mensen naar de nabijheid van God te leiden. We zijn allemaal geroepen om andere mensen met Jezus bekend te maken en Hem geliefd te maken en hen voor Hem te winnen. Welk beroep we ook maar uitoefenen, welke taak we ook maar uitvoeren.

Denk nog een keer aan Petrus die na deze verbluffende visvangst in zijn boot plotseling de nabijheid van God, de heiligheid van Jezus waarnam en zei: »Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens, Here.«

Het antwoord van Jezus luidde: »Wees niet bevreesd, van nu aan zult gij mensen vangen« (Lukas 5:10).

Het woord roeping wordt bij ons (in het Duits) echter ook in een heel andere betekenis gebruikt: je tekent beroep aan tegen een gerechtsveroordeling. Je bent het met het oordeel van de rechtbank niet eens en verweert je ertegen. Maar bij God zijn we al bij de hoogste instantie aangekomen. Daarboven is er niemand meer bij wie we over het handelen van God bezwaar kunnen maken. Het helpt dus niet als we met God willen onderhandelen om er voor onszelf nog iets uit te halen. Maar misschien horen we bij de zakhorlogechristenen die God uit het vestzakje halen om richting te krijgen, voor zover dat nodig mocht blijken, die Hem misschien ook bewonderend bekijken, maar Hem dan weer wegstoppen zonder ons om de roeping, de door God gegeven opdracht te bekommeren.

Jezus is onze Verlosser geworden. Als God nu dichtbij ons komt, als we Zijn tegenwoordigheid ervaren, dan moeten we niet meer roepen: wee mij, ik ga ten onder! We mogen er van ganser harte dankbaar voor zijn dat Jezus Zelf ons voor de heiligheid van God klaar heeft gemaakt.

Maar we mogen ook steeds weer ervaren dat onze Here Jezus Christus ons juist dan wil motiveren om op de vraag: wie zal Ik zenden? met nieuwe vreugde te kunnen antwoorden: hier ben ik – zend mij!

Amen.

 

Klaus Loh

(verkort uit een preek)

 

 

 

Leven na de geboorte

Er was eens een tweeling die samen in de moederschoot werd ontvangen. De weken gingen voorbij, de jongetjes groeiden. In de mate waarin hun bewustzijn groter werd, steeg ook de vreugde: »Is het niet geweldig dat we werden ontvangen? Is het niet geweldig dat we leven?«

De tweeling begon zijn wereld te ontdekken. Toen ze de navelstreng ontdekten waarmee ze aan hun moeder verbonden waren en die hun voedsel gaf, zongen ze vol blijdschap: »Wat is de liefde van onze moeder groot dat ze haar eigen leven met ons deelt!«

Maar toen de weken voorbijgingen en uiteindelijk maanden werden, merkten ze plotseling dat ze erg veranderd waren.

»Wat heeft dat te betekenen?« vroeg de een. »Dat betekent« antwoordde de ander, »dat ons verblijf in deze wereld ten einde loopt.«

»Maar ik wil helemaal niet gaan« zei de een weer, »ik wil voor altijd hier blijven.«

»We hebben geen andere keus« weerlegde de ander, »maar misschien is er leven na de geboorte?«

»Hoe zou dat nu kunnen?« vroeg de eerste twijfelend. »We zullen onze levensdraad verliezen en hoe zouden we zonder kunnen leven? En bovendien hebben anderen voor ons deze schoot verlaten en niemand van hen is teruggekomen om ons te vertellen dat er een leven na de geboorte is. Nee, de geboorte is het einde!«

Zo werd een van hen diep verdrietig en zei: »Als de verwekking met de geboorte eindigt, wat voor zin heeft het leven in deze schoot dan? Het is zinloos. Misschien zit er helemaal geen moeder achter dit alles.«

»Maar ze moet toch bestaan« protesteerde de ander, »hoe zouden we hier anders hebben kunnen komen? En hoe zouden we in leven kunnen blijven?«

»Heb je onze moeder ooit gezien?« vroeg de een. »Misschien leeft ze alleen in onze fantasie. Hebben we haar bedacht omdat we daardoor ons leven beter kunnen begrijpen.« En zo waren de laatste dagen in de schoot van de moeder vol vragen en grote angsten.

Uiteindelijk kwam het moment van de geboorte. Toen de tweeling hun wereld verlaten had, openden de broertjes hun ogen en schreeuwden het uit. Wat ze zagen overtrof hun stoutste dromen.

 

 

 

 

De Heer achter de deur

Een plattelandsdokter die om zijn vaste geloof bekend stond, nam als hij met de fiets naar zijn patiënten reed, steeds zijn hond mee. Zoals het op het platteland gebruikelijk is, mocht de hond echter nooit mee de kamer in, maar moest in de hal wachten. Op een dag werd de arts bij een stervende vrouw geroepen en werd hem gevraagd: »Dokter, u bent een vroom man. Ik heb de dood voor ogen. Wat komt er na dit donkere gordijn waar ik voor sta?« Op dat moment krabbelde de hond aan de deur. »Dat is net als bij mijn hond, mevrouw. Hij was hier nog nooit binnen en weet niet hoe het er hier uitziet. Maar hij weet wel: zijn baas is achter die deur!«

 

Norbert Giebel